Een reflectief kunstenaar als museumdirecteur
Interview met Edwin Jacobs, directeur van Het Centraal Museum Utrecht,
ten behoeve van de HKU publicatie over de Toekomst van het kunstonderwijs voorjaar 2012
Interview: Anke Coumans
Redactie: Irun Scheifes
Edwin Jacobs studeerde aan de Academie voor Beeldende Vorming te Tilburg, of beter: Hogeschool Tilburg Faculteit Beeldende Vorming. Met aandacht voor namen en data, rustig pratend en helder articulerend, vertelt hij dat de academie van 1978 tot 1989 een tijdelijke faculteit van de universiteit was. Het project was een proeftuin voortgekomen uit de wens van Dhr. Keuzenkamp van OCenW om lerarenopleiding, kunstpraktijk en theoretische onderbouwing samen te brengen. Het beroemde Maaskant-gebouw waarin de opleiding huisde, was ontworpen als een groot transparant ateliergebouw, de kunstpraktijk in het gebouw was zichtbaar. Het klassikale onderwijs, gebaseerd op een gewoon schoolwerkplan, vond plaats in de ateliers. De lesstof werd uitgewerkt en vormgegeven in een doorlopende werkplaats. Maken en denken waren de beide zijdes van dezelfde medaille.
Zijn grote leermeester was Marcel Vos, in die tijd ook directeur van de post-academische kunstacademie Ateliers 63. Van hem leerde hij dat iedere kunstbeschouwer een ander uitgangspunt heeft ten aanzien van de kunst en bijgevolg een andere relatie met kunst aangaat. Waar de ene kunstbeschouwer denkt in kunstenaarschap, denkt de ander in kunst als verschijning. In dit denken is Jacobs getraind. Het heeft de wijze bepaalt waarop hij gedurende zijn loopbaan met kunst en met kunstenaars is omgegaan.
Het verhaal van de kunstenaar
Indicatief voor Jacobs houding is het project dat het Centraal Museum in 2011 organiseerde rondom de kunstenaar Robbie Cornelissen onder de naam Studio Vertigo. In dit project stond het kunstenaarschap centraal. Dit kunstenaarschap werd in co-ontwikkeling verder vormgegeven. Jacobs zegt hierover: “Robbie Cornelissen zei: okay ik teken, ik teken op de muur, ik teken driedimensionaal en ik teken met het publiek. Hij ontwierp een plan waar het publiek erg positief op reageerde en ook daadwerkelijk aan meedeed.”
Wil je met dit voorbeeld zichtbaar maken dat er een lijn valt te trekken tussen de wijze waarop je als kunstenaar bent opgeleid in een lesprogramma waarin denken en maken samenkomen en de wijze waarop in deze expositie handelen en reflecteren bij elkaar gebracht worden?
“Ja, en daar komt bij dat ik heel gevoelig ben voor het verhaal van de kunstenaar. Als ik werk zie in een galerie, op een beurs of een biennale is het bezoek aan de kunstenaar in zijn studio een essentieel onderdeel en dan wil ik dat je die ervaring kan vastpakken en tot praktijk van het museum maken, om alle mensen mee te nemen in het kleine wonder dat ik heb ervaren. Voor mij is De Wording van Cherry Duijns het ijkpunt geweest. Die film is aldoor fascinerend. Heel veel stiltes, weinig haast, wat opvallend is voor een film van begin jaren 80. We zien kunstenaars optreden, Ida Gerhardt, Hans van Maanen, Reinbert de Leeuw, Armando. We zien ze ieder op hun eigen manier de essentie zoeken van een beeld. Het mooie van die film, is dat dat beeld ook het opgeroepen beeld kan zijn, of het beeld van de herinnering, of het beeld van de taal. Dat is fascinerend. Daarom houd ik ook zo van interviewers als Adiaan van Dis en Ischa Meijer. Dat waren niet alleen hele goede interviewers, zij waren in staat de geïnterviewden te laten zien in hun denken, hun kijken, hun sensitiviteiten, inzichten, levenswijsheden. Dat zie ik nu nauwelijks meer, in deze tijd moet alles snel en kort zijn.’
De eigen tijd van het museum
Vanuit het belang dat Edwin Jacobs hecht aan het hebben en nemen van tijd, formuleert hij zijn visie op het onderwijs: “Voor mij is onderwijs een situatie waarin de tijd even wordt vertraagd. Dat vraagt de klas, dat vraagt de werkwijze van het onderwijs.”
Maar juist in het kunstonderwijs zijn de deuren naar de buitenwereld wijd open gezet en daarmee heeft het ook het tempo van die buitenwereld overgenomen.
“Dat is een interessante component en daar kan het museum een rol spelen. Het museum kan die tijd even stilzetten. In de blik van zeker de jonge kunstenaar is het doel van het museum de canonisering; als hij eenmaal in het museum hangt, begint het professionele leven van de kunstenaar, dan komt er een nieuw museum, dan komen de kopers. Maar je kunt ook een ander uitgangspunt nemen: het museum als instrument van reflectie, contemplatie. Daar kan het museum het kunstonderwijs aanvullen. En het is ook echt mijn plan daar invulling aan te geven.
Nieuwe praktijken
Jacobs wil graag dat het Centraal Museum samen met het kunstonderwijs op zoek gaat naar een samenwerkingsvorm waarin beide vanuit een inhoudelijke visie (met behoud van hun eigen identiteit) vernieuwen. Hij noemt als voorbeeld de wijze waarop in de diakoniek de kerk zich aan het vernieuwen is. “Je merkt aan veel parochies dat men zich anders tot de wijk wendt, niet meer vanuit dwang maar vanuit een open houding: iedereen is welkom. Er is sprake van een veel culturelere benadering van het idee kerk.” In dat kader noemt hij de lezingen die Huub Oosterhuis elke dinsdagavond van acht tot twaalf in de Rode Hoed organiseert over filosofie, kunst en cultuur en muziek. “Het gaat om het spirituele, om verlichting, het gaat over grotere gehelen. Overal vinden praktijken plaats die om een andere tijd en ruimte vragen.” Jacobs verwijst naar de uitspraak van Joseph Beuys: Jeder Mensch ein Künstler. “Het was er Beuys niet om te doen dat ieder mens de kunstenaar moet gaan spelen, maar dat ieder mens ontvankelijk zou zijn voor het verschijnsel kunst. Daarin moet je wel worden begeleid of opgevoed.” Jacobs merkt dat wanneer hij het museum transparant maakt en kunstenaars uitnodigt en public te werken, er een verbinding ontstaat. “De mensen vinden dat fantastisch, van hoog tot laag gaan ze ermee aan de slag.”
Maar hoe voorkom je dan dat het museum een kunstencentrum wordt, een ‘vormingscentrum’? Of heb je daar geen bezwaar tegen?
“Tja, ik heb er nog geen woorden voor, ik ben nog zoekende. Het vinden van de juiste woorden is van groot belang. Neem nu alleen al het woord ‘centrum’… Ooit had het woord ‘centrum’ een heel andere klank, dat was voordat we spraken over ‘zorgcentrum’, ‘bejaardencentrum’ en ‘winkelcentrum’. Zo moeten we nu op zoek naar nieuwe woorden om nieuwe functies tot uitdrukking te brengen.”
Blijft staan de vraag wat het doel is van het kunstonderwijs: kunstenaars met producten van hoogstaande kwaliteit opleiden of een andere culturele dimensie in de samenleving aan te brengen…
“Het museum is een principieel educatief instituut. Het heeft een publieke verantwoordelijkheid en alles wat zij doet heeft met die verantwoordelijkheid te maken. Als ik iets aanschaf heeft dat de bedoeling dat ik het zodanig kan presenteren dat de aanleiding om het te kopen helder is. Bij Robbie Cornelissen hebben we ervoor gekozen om niet de tekeningen te kopen, of de uitwerkingen, we hebben gekocht wat hij deed in het atelier, in de avonduren, toen hij erover nagedacht had. Vervolgens wordt bedacht in welke vorm dit aangekochte werk het best gepresenteerd kan worden. We bedenken bijvoorbeeld, wat is de inspiratiebron geweest? Kunnen we het documentatiemateriaal presenteren? Wat hierin nieuw is, is dat het museum vooraan komt te staan in het proces waartoe een presentatie of project leidt. En wanneer je in dat proces ook het publiek een plaats geeft, wordt het werk daarmee ook van het publiek. “
Kunst en design
Hoe ziet Jacobs eigenlijk de overeenkomst tussen kunst en design? Toen hij net begon als directeur van het Centraal Museum lag het dossier Rietveld op zijn bureau, er stond een grote tentoonstelling in de steigers. Rietveld werd in het vooronderzoek van alle kanten bekeken, niet alleen kunsthistorisch maar ook technisch. Jacobs: “Ik zei meteen vanuit de losse pols: we hebben hier te maken met een kunstenaar, of nog sterker: een studiokunstenaar: iemand die zich steeds opnieuw terugtrekt in zijn atelier om een ontwerpidee uit te werken, nooit los van de functie maar ondertussen wel op zoek naar de Gestaltung. Daarmee was de toon gezet.”
Niet de stoel als functioneel product maar de stoel in zijn totstandkoming interesseert hem. Voor de Rietveld-tentoonstelling voegde hij er een element van publieksparticipatie aan toe door mensen zelf een stoel in elkaar te laten zetten en uit elkaar te laten halen. Hiermee ervoeren mensen wat nu zo bijzonder was aan wat Rietveld gedaan had.
Daarmee haal je het ontwerpen naar het domein van de kunsten. Het gaat niet alleen om de functionele kwaliteit maar ook om de beeldende kwaliteit. Kan het ook andersom: de kunstenaars naar het domein van het ontwerpen halen?
“ Voor mij zijn er een paar hedendaagse voorbeelden: Joost Konijn met zijn houtauto, zijn vliegtuig: een concept leidt tot een vorm, binnen het uitgangspunt van het concept wordt expliciet vormgegeven. Hoe kun je bijvoorbeeld op hout en waterdamp een reis maken? Daar heb je een auto voor nodig die daarop functioneert. Heel kort door de bocht: hoe kun je op een kachel een auto aandrijven? Tweede voorbeeld: Joep van Lieshout, opgeleid als beeldend kunstenaar, ontwerpt eigenlijk in een paar vierkante meter een wereldbeeld. Het wereldbeeld kent afspraken, een grammatica, het heeft een idioom. En het wordt op basis daarvan vormgeven. En het lukt Van Lieshout dat idioom constant door te ontwikkelen. Hij is zich zeer bewust van de relatie tussen het een en het ander. Tenslotte Jurgen Bey. Bey denkt in productieprocessen en in functionaliteiten en prototypes. Maar hij denkt eigenlijk in veranderingen. Hoe verandert winkelen? Of naar het kantoor gaan, van het huis op de fiets naar het stadion?”
Het is de reflectie uit het atelier die nu de blik op de buitenwereld is geworden. De reflectie die eerst enkel in het atelier plaatsvond heeft iemand meegenomen naar onze wereld.
“Jazeker, en ook de mode is een mooi voorbeeld. Mode heeft altijd een draagbare kant, bereikbaar voor het grote publiek. Aan de andere kant van het spectrum staan de modeprincipes die niets meer te maken hebben met draagbaarheid. De architectuur kent ook deze twee kanten. Ik denk aan Lieberman die vanuit een grondplan aan een historische plek betekenis wil geven. Hij geeft een groter verband een vorm.
Geen instituties maar faciliteiten en praktijken
Onderwijs en kunst verbinden in het landelijk beleid lijkt niet zo goed te lukken. In de aantekening die je me stuurde spreek je over ‘de gescheiden paden van onderwijs, cultuur en wetenschappen’, daarmee verwijzend naar het departement OCenW. Wat bedoel je daar precies mee?
“Als ik directeur van een kunstacademie was geweest dan zou mijn eerste gedachte zijn: hoe onderwijs je in cultuur en hoe integreer je cultuur in het onderwijs? Wat ik daarmee bedoel is: het leren komt in een cultureel verband te staan, een bewustzijn van kunstenaarschap, artisticiteit aan de ene kant en aan de andere kant verwijst het naar de kwaliteit van de kunstenaar: andere wegen zoeken; en dat experiment leidt tot onderwijsvernieuwing.”
Bedoel je te zeggen dat onderwijsvernieuwing als vanzelf voortkomt uit het nadenken over de cultuur waar zij in functioneert?
“Nee, ik bedoel dat het kunstvakonderwijs een kans heeft om ontwikkelingen in het onderwijs aan te jagen. De vernieuwende kracht van de kunsten zou zich op het onderwijs zelf moeten richten. Kunstonderwijs zou moeten zeggen: wij vallen niet alleen onder de O van onderwijs maar ook onder de C van cultuur omdat wij deel uitmaken van het kunstonderwijs. Het kunstonderwijs biedt de kans om deze beide poten bij elkaar te brengen. Niet alleen de musea behoren onder de C van cultuur, ook het kunstonderwijs. De stap erna is om ook de W van wetenschap erbij te betrekken, maar laten we eens beginnen om vanuit het thema verbinding de O en de C bijeen te brengen.” Jacobs ziet dat vernieuwing in het onderwijs ook steeds is voortgekomen vanuit mensen die juist vanuit kunst en cultuur keken, denk aan Rudolf Steiner, Freinet, Parkhurst. “Het kunstonderwijs heeft de kans en de verantwoordelijkheid het onderwijs te vernieuwen vanuit haar culturele positie. Dus niet alleen zichzelf maar ook het middelbare onderwijs. Waarom gaan kunstenaars bijvoorbeeld niet gewoon voor de klas staan? Wij hoeven ons toch niet neer te leggen bij de beslissingen van dit kabinet? Wij hebben toch ook een eigen verantwoordelijkheid? Bovendien hoeven we niet in instituties te denken. We kunnen ook in faciliteiten denken. Kunstenaars kunnen iets faciliteren, los van instituties. Het is belangrijk te denken vanuit mogelijkheden: wat kunnen kunst en cultuur veroorzaken. Daarom zou de hele sector moeten denken: hoe kunnen we de O en de C verbinden? Hoe kunnen we weigeren te denken in de doelbewuste opdeling? We moeten ons niet laten scheiden in O- en C-instituties, we moeten denken in verbindende praktijken, in coalities”.